donderdag 15 januari 2026
zaaknummer 2011-T376 (4) 22 november 2012
[Naam].,
geboren op [Datum],
wonende te [Plaats],
hierna te noemen: klager,
juridisch adviseur: mr. S.S. van Gijn,
tegen:
[Naam],
geboren op [Datum] en overleden op [Datum],
de persoon over wie geklaagd wordt,
hierna ook te noemen: aangeklaagde,
tijdens zijn leven verbonden aan de Congregatie van de Broeders Franciscanen.
Namens de Duitse Ordensgemeinschaft is niemand ter zitting verschenen. De Klachten-commissie was hiervan van te voren op de hoogte gesteld door mr. J.J.M. Golstein.
1. Het verweer
Aangeklaagde is overleden en kan geen weerwoord geven.
In de inhoudelijke reactie op het klaagschrift heeft mr. R.P. Baetens namens [Naam], Overste van de Duitse Ordensgemeinschaft der Armen-Brüder des Heiligen Franzikus, aangegeven dat Overste [Naam] zich zal inspannen en blijven inspannen om in klachtzaken betreffende “[Plaats]” onderzoek te doen en een reactie te doen zenden aan de Klachtencommissie vanwege het feit dat de Duitse vereniging (in civielrechtelijke zin) “Ordensgemeinschaft der Armen-Brüder der Heiligen Franziskus Sozialwerke e.V.” nog het enige overblijfsel in Europa is van een eertijds grotere Congregatie.
Hoewel de huidige Duitse Congregatie in feite noch civiel- noch kerkenrechtelijk enige verantwoordelijkheid draagt voor wat in de toenmalige Nederlandse kerkprovincie is voorgevallen, heeft Overste [Naam] zich opgeworpen als aanspreekpunt in de zin dat hij alle medewerking verleent aan het verstrekken van informatie aan de Klachtencommissie ten behoeve van Nederlandse klachtzaken, terwijl Overste [Naam] zich, ook al is hij slechts Overste/Voorzitter van de Duitse kerkprovincie, moreel gehouden acht om, in geval van gegrond te achten klachten, namens de Duitse Congregatie excuses te maken voor hetgeen destijds medebroeders van de Nederlandse Congregatie hebben misdaan.
Overste [Naam] heeft zich in zaken betreffende de broeder Franciscanen bereid verklaard om de rol van kerkelijke verantwoordelijke te vertolken in de Nederlandse klachtprocedure, in die zin, dat hij naar aanleiding van verkregen advies van de Klachtencommissie de beslissing over het al dan niet gegrond verklaren van een klacht zal nemen en bij gegrondverklaring ook niet zal nalaten zijn schaamte en spijt te betuigen over hetgeen Nederlandse medebroeders in het verleden hebben gedaan.
Morele verantwoordelijkheid betekent echter niet dat op enigerlei wijze ook financiële verantwoordelijkheid kan worden aanvaard. Voor zover het een handelen van medebroeders binnen de toenmalige Nederlandse Congregatie betreft doet zich de ook door de Nederlandse RK Kerkprovincie voorziene situatie voor dat de RKK als waarborginstantie dient op te komen in een geval van toegewezen compensatie bij een gegronde klacht, die betrekking heeft op voormalige leden van een niet meer bestaande Orde of Congregatie in Nederland.
Aangeklaagde werd geboren op [Datum] en is overleden op [Datum].
Op [Datum] legde hij de eeuwige professie af. Vanaf [Jaar] tot [Jaar] was hij hoofd van de ULO te [Plaats].
In de archiefstukken uit die tijd zijn totaal geen aanwijzingen gevonden die ook maar enigszins wijzen op verkeerde gedragingen van aangeklaagde.
Tegen aangeklaagde zijn meldingen of klachten over seksueel misbruik bekend geworden. In het algemeen hebben de beschrijvingen in de meldingen en klachten ook gelijkenis met elkaar. De diverse klachten en meldingen vormen in het beginsel natuurlijk wel een algemeen steunbewijs voor de klachten klager.
De vraag is echter wel of de veelheid van algemeen steunbewijs op zich voldoende is om ieder individuele klacht gegrond te achten. De Overste is van mening dat het enkele feit, dat er meer klagers/melders zijn nog niet betekent dat daarmee de klacht van klager automatisch gegrond geacht moeten worden.
Overeind blijft natuurlijk dat ieder melding of klacht dan nog steeds volledig waar kan zijn en Overste [Naam] wil ook niet betogen dat de klacht van klager onwaar zouden zijn, maar voor een gegrondverklaring lijkt het Overste [Naam] noodzakelijk dat er tenminste enig specifiek bewijs aangedragen moet worden, dat aannemelijk maakt dat deze klacht van deze klager gegrond is. Naast algemeen steunbewijs (dat er in overvloed is) zal er dus een specifiek steunbewijs gepresenteerd moeten worden. Dat specifieke steunbewijs lijkt vooralsnog bij de klacht van klager te ontbreken.
4.3. Er zijn ongeveer 43 jaar verstreken sedert de feiten die klager aangeklaagde
verwijt zich hebben afgespeeld. Alleen al door het tijdsverloop en het overlijden van aangeklaagde zijn deze feiten niet meer in detail te onderzoeken.
Wél is voor de Klachtencommissie aannemelijk geworden dat klager door aangeklaagde is misbruikt, zoals klager in zijn klacht heeft beschreven.
De Klachtencommissie is hiervan overtuigd geraakt door de authentieke wijze waarop en de details waarmee klager zijn verhaal heeft verteld.
Voorts heeft de Klachtencommissie kennisgenomen van de gegrond verklaarde klachten met zaaknummers 2010-T174 (2), 2011-T292 en 2011-T529 (1) waarin eveneens over seksueel misbruik door aangeklaagde wordt geklaagd. Een en ander in onderling verband en samenhang bezien ondersteunt naar het oordeel van de Klachtencommissie voldoende de aannemelijkheid van het seksueel misbruik van klager door aangeklaagde.
4.4. Het behoeft geen betoog dat het seksueel misbruik door aangeklaagde met
gebruikmaking van misbruik van gezag en in een afhankelijkheidssituatie hoogst kwalijk is geweest. Klager was immers als kind van 12-13 jaar oud door de kinderrechter uit huis geplaatst en zo in [Plaats] terechtgekomen.
4.5. † Daarom zal de Klachtencommissie zich bij haar advisering richten op de vermindering van het leed dat klager is aangedaan.
4.6. Klager heeft vooralsnog niet verzocht om financiële compensatie. Over een eventueel
verzoek van klager om financiële vergoedingen kan de Klachtencommissie
niet adviseren. Dit behoort niet tot haar taak. Bij een gegrondverklaring van de klacht door de Overste zal klager zich voor het verkrijgen van schadevergoeding dienen te wenden tot de Compensatiecommissie.
5. Het advies
De Klachtencommissie adviseert de Overste van de Ordensgemeinschaft der Armen-Brüder des Heiligen Franziskus als waarnemend Overste van de Orde van Arme Broeders van St. Francisus in liquidatie de klacht gegrond te verklaren, te erkennen dat aangeklaagde klager seksueel hebben misbruikt en namens de Congregatie zijn spijt te betuigen over het leed dat klager in zijn jeugd is aangedaan.
Dit advies is vastgesteld op 22 november 2012 door mevrouw mr. B.F. de Poorter, voorzitter,
mevrouw drs. A.M. van Beelen en mr. P.A. Schaafsma, leden, bijgestaan door
M.H.J. Materman, griffier, en is ondertekend door de voorzitter.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten